Kleinere ondernemingen moeten vaak naar de pijpen dansen van grote leveranciers of klanten, omdat ze geen andere keuze hebben dan hun voorwaarden te aanvaarden. De wet van 4 april 2019 tot wijziging van het Wetboek van Economisch Recht (WER), de zogenaamde B2B-wet, biedt hen sindsdien bescherming op drie vlakken: misbruik van economische afhankelijkheid, onrechtmatige bedingen en oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen.
1. Misbruik van economische afhankelijkheid (Boek IV WER)
Sinds 22 augustus 2020 is het verboden misbruik te maken van een positie van economische afhankelijkheid, als dat de mededinging op de Belgische markt of een wezenlijk deel ervan kan aantasten. Economische afhankelijkheid bestaat wanneer een onderneming geen redelijk alternatief heeft en de andere onderneming haar voorwaarden kan opleggen die ze anders niet zou aanvaarden. Afhankelijkheid op zich is niet verboden, enkel het misbruik ervan, bijvoorbeeld:
- de weigering om handel te drijven;
- het opleggen van onbillijke prijzen of andere voorwaarden;
- het beperken van productie, afzet of technische ontwikkeling ten nadele van de gebruikers;
- het toepassen van ongelijke voorwaarden bij gelijkwaardige prestaties;
- het koppelen van een overeenkomst aan bijkomende prestaties die er niets mee te maken hebben.
2. Onrechtmatige bedingen tussen ondernemingen (Boek VI WER)
Voor overeenkomsten gesloten, hernieuwd of gewijzigd vanaf 1 december 2020 zijn ook tussen ondernemingen bedingen verboden die, alleen of samen met andere bedingen, een kennelijk onevenwicht creëren tussen de rechten en plichten van de partijen (art. VI.91/3 WER). Bedingen moeten bovendien duidelijk en begrijpelijk zijn opgesteld.
De wet bevat een zwarte lijst van bedingen die altijd onrechtmatig zijn (art. VI.91/4 WER), zoals bedingen die:
- een partij verplichten het contract uit te voeren, terwijl de verbintenissen van de andere partij afhangen van een voorwaarde die enkel van haar wil afhangt;
- een partij het eenzijdige recht geven om het contract te interpreteren;
- een partij doen afzien van elk verhaal in geval van een geschil;
- onweerlegbaar vaststellen dat een partij kennis heeft genomen van bedingen waarvan ze vóór de sluiting geen kennis kon nemen.
Daarnaast is er een grijze lijst van bedingen die vermoed worden onrechtmatig te zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen (art. VI.91/5 WER), zoals bedingen die:
- een partij toelaten de prijs, de kenmerken of de voorwaarden van de overeenkomst eenzijdig en zonder geldige reden te wijzigen;
- een overeenkomst van bepaalde duur stilzwijgend verlengen zonder redelijke opzeggingstermijn;
- het economisch risico zonder tegenprestatie naar de andere partij verschuiven;
- de rechten van een partij ongepast beperken bij wanprestatie van de andere;
- partijen binden zonder redelijke opzeggingstermijn;
- een partij vrijstellen van aansprakelijkheid voor opzet, zware fout of de niet-uitvoering van essentiële verbintenissen;
- de bewijsmiddelen van de andere partij beperken;
- schadevergoedingen vastleggen die kennelijk niet in verhouding staan tot het nadeel.
Een onrechtmatig beding is nietig; de rest van de overeenkomst blijft bestaan als ze zonder het beding kan voortbestaan. De regels gelden niet voor financiële diensten en overheidsopdrachten.
3. Oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen
Sinds 1 september 2020 is het bestaande algemene verbod op oneerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen aangevuld met een uitdrukkelijk verbod op misleidende en agressieve marktpraktijken (art. VI.104/1 en VI.105 e.v. WER). Zie ook onze blog over reclame.
Wat betekent dat voor u?
Ondernemingen doen er goed aan hun contracten en algemene voorwaarden te screenen, zeker als ze die gebruiken tegenover kleinere partners. Omgekeerd kan een onderneming die een onevenwichtig beding opgelegd kreeg, zich nu op deze regels beroepen. Zie ook onze blog Zijn uw algemene voorwaarden afdwingbaar? Ons kantoor helpt u graag bij de screening van uw contracten.
19 april 2019
Frederic Leleux
Advocaat – master in het ondernemingsrecht – curator