Faillissementsrecht

Het Grondwettelijk Hof beslist: de beroepstermijn tegen een faillissementsvonnis.

In het arrest van het Grondwettelijk Hof van 23 oktober 2025 wordt er een afweging gemaakt tussen het grondwettelijk recht op toegang tot de rechter en de procedurele efficiëntie.[1] De zaak betreft een gefailleerde vennootschap waarvan het faillissementsvonnis op 12 februari 2025 gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad en op 17 februari 2025 betekend aan de gefailleerde. Wanneer de gefailleerde op 4 maart 2025 hoger beroep wilde aantekenen, rees de vraag of dit wel op tijd was. Volgens de wet dient het hoger beroep tegen het faillissementsvonnis namelijk ingesteld te worden binnen de vijftien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.[2] Het Hof van Beroep te Antwerpen legde een prejudiciële vraag voor aan het Grondwettelijk Hof over de grondwettigheid van het startpunt van de beroepstermijn.

Het juridische kader

Volgens de wet moet het vonnis van faillietverklaring binnen 5 dagen bij uittreksel bekendgemaakt worden in het Belgisch Staatsblad.[3] Dit is het moment wanneer de beroepstermijn van 15 dagen tegen het faillissementsvonnis aanvangt en niet wanneer het vonnis betekend wordt aan de gefailleerde.

Redenering van het Hof

Het Grondwettelijk Hof verwijst naar een eerder arrest waarin een gelijkaardige regeling voor derdenverzet bij faillissement ongrondwettig werd verklaard. Het Hof haalt daarbij de volgende motieven aan. Men heeft recht op toegang tot een rechter, maar het instellen van een rechtsmiddel kan onderworpen worden aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, zoals een beroepstermijn. Deze voorwaarden mogen er echter niet toe leiden dat het recht op toegang tot een rechter op zodanige wijze wordt aangetast. Dit is het geval als de maatregel geen wettig doel nastreeft of als de beperking onevenredig is in het licht van het doel, vooral bij de beroepstermijn tegen een faillissementsvonnis.

De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad heeft in eerste instantie tot doel om derden te informeren, terwijl de betekening dient om de gefailleerde op de hoogte te stellen van het vonnis en de beroepsmogelijkheden. Het nadeel van de bekendmaking is dat dit minder waarborgen biedt dan de betekening, wat een leidt tot een problematische beroepstermijn tegen een faillissementsvonnis. Veel mensen lezen het Belgisch Staatsblad niet, waardoor zij niet op de hoogte zijn van het begin van de beroepstermijn. Bovendien worden de beroepsmogelijkheden niet vermeld in het Belgisch Staatsblad. Hierdoor kunnen ze mogelijk geen hoger beroep instellen, waardoor het recht op toegang tot de rechter geschaad wordt.

De wetgever beoogde met dit startpunt een snelle en vlotte afwikkeling van de faillissementsprocedure. Dit is een geldige doelstelling, maar dit mag niet ten koste gaan van het recht op toegang tot de rechter. Dit startpunt vormt een onevenredige beperking op dit recht, vooral gezien de beroepstermijn tegen een faillissementsvonnis. De curator kan het vonnis immers snel betekenen, zodat er geen noodzaak bestaat om het aanvangspunt van de beroepstermijn te koppelen aan de publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Gevolgen van het arrest

De bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad als startpunt van de beroepstermijn wordt ongrondwettig verklaard. De termijn voor het instellen van hoger beroep tegen een faillissementsvonnis zal nu ingaan vanaf de betekening van het vonnis aan de gefailleerde en niet langer vanaf de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad, wat een grote verandering betekent voor de beroepstermijn tegen een faillissementsvonnis.

Conclusie

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de beroepstermijn tegen een faillissementsvonnis pas mag beginnen te lopen vanaf de betekening aan de gefailleerde, niet vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad. De regeling die het tegenovergestelde bepaalt, schendt het recht op toegang tot de rechter, omdat publicatie onvoldoende waarborgt dat de gefailleerde kennisneemt van het vonnis en zijn beroepsmogelijkheden. De wetgever zal het boek XX van het WER moeten aanpassen om dit in overeenstemming te brengen met de Grondwet.


[1] GwH 23 oktober 2025, 139/2025, ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.139

[2] Artikel XX.108, §3, lid 4 WER

[3] XX.107, §1, lid 1 WER

Zele,

10 december 2025

Borg staan voor uw vennootschap: de nieuwe regels.

Als bestuurder wordt u bij het afsluiten van een bedrijfskrediet doorgaans gevraagd om zich persoonlijk borg te stellen voor de schulden van uw vennootschap. Borgstelling speelt hierbij een belangrijke rol. Op 1 januari 2026 trad daarvoor een volledig vernieuwd wettelijk...

Het verbod op financiële onderaanneming in de bouwsector.

Onderaanneming is in de bouwsector al jaren de norm. Een aannemer neemt een opdracht aan en besteedt onderdelen ervan uit aan gespecialiseerde onderaannemers. Dat is juridisch toegestaan en economisch zinvol. Maar wat als een onderaannemer de volledige opdracht op zijn...

Prijsherziening in de bouw: juridische grenzen in tijden van stijgende kosten

De sterke stijging van bouwmaterialen en loonkosten heeft heel wat aannemers ertoe aangezet om hun contracten te herbekijken. Steeds vaker duiken clausules zoals prijsherziening op in algemene voorwaarden. Die clausules laten toe om de prijs tijdens de uitvoering van de...